
Wij zijn niet gemaakt om langzaam te verwelken en uiteindelijk te verdwijnen.
Hoe fair is het om geboren en opgevoed te worden met de overtuiging dat het leven goed voor ons is? Dat we alles kunnen bereiken, onoverwinnelijk zijn en controle hebben over elke keuze die we maken, terwijl we diep vanbinnen weten dat dit niet zo is. Als ouder wil je je kind beschermen tegen de hardheid die achter al dat moois schuilgaat. Je hoopt dat de donkere zijde van het leven langzaam en verdraagzaam zal doorsijpelen naarmate we het levenspad bewandelen en rijper worden.
Het leven is een haat-liefdeverhouding waar je zelf niet voor hebt gekozen. In normale omstandigheden leef je heel graag, maar soms lijkt het alsof het leven jou minder graag heeft.
Meestal wordt het ook niet beter. Hoe verder je op het levenspad geraakt, hoe zwaarder en enger het pad wordt. In tegenstelling tot wat vele mensen denken worden we niet harder. Naarmate we ouder worden, verweken we en worden we kwetsbaarder.
We verbloemen graag de gruwel van de aftakeling en verzachten de moeilijke omstandigheden waarin we ons moeten staande houden. De onzekerheid wordt draaglijker wanneer we geloven in grotere, sturende krachten die een goed plan met ons zouden hebben. Zelfs het nietsontziende lot, dat mensonwaardig hard kan toeslaan, wordt door mensen vaak goedgepraat door het te zien als de wil of de hand van God.
We worden opgevoed met de bedoeling dankbaar te zijn voor dit leven, een leven waar we niet zelf voor gekozen hebben. We worden gedropt op een gevaarlijke plek waar we zelfs niet kunnen rekenen op de eerlijkheid van de natuur, want zelfs daar geldt de regel dat enkel de sterkeren mogen en kunnen overleven. Hoe kun je dan verwachten dat er een grotere macht bestaat die eerlijk genoeg is om de rechtschapenheid die van ons verlangd wordt in eer en geweten na te leven?
Goedheid wordt niet beloond of eerlijk beoordeeld. De zwakkeren worden niet ontzien. En liefde, het mooiste wat er is en iets wat van elke mens verwacht wordt na te streven, biedt geen grotere kans op een zacht einde. Net wie zijn naasten het liefste ziet, lijdt het meeste bij het afscheid en staat het kwetsbaarst in het leven.
Uiteraard willen we meestal niet sterven en ruilen we het leven niet graag in voor de nog grotere onzekerheid van de dood. Mensen zijn hechters, dat zit in ons DNA. We zijn bouwers en verzamelaars die leven op hoop en betere tijden. We zijn emotioneel verbonden met elkaar en met het leven door goede gevoelens, door mededogen en door fijne gewaarwordingen die de nare dingen verzachten en ons tot diep in onze zielen raken.
Wij mensen leven voortdurend op hoop en op de kleine kans op een wonder dat het tij kan keren. Maar het gebeurt zelden dat al die goede hoop uitmondt in iets moois. Met wat geluk mogen we soms genieten van een korte heropflakkering. Een moment waarop even de zon doorbreekt aan een helderblauwe hemel en er een open, levendige, frisse sfeer hangt van onbezorgd leven. Helaas is dat meestal van korte duur, want al snel verschijnen de eerste donkere wolken van onrust weer aan de hemel.
Ik heb het dan niet over de kleine conflicten die eigenlijk niet van levensbelang zijn. Geen materialistische dingen of tekortkomingen, want dat zijn meestal gevolgen van onze eigen keuzes. Ik heb het over levensbelangrijke conflicten zoals gezondheid, liefde en vriendschap. Zaken waarin we een beetje levenszin proberen te vinden, maar die ons van het ene op het andere moment kunnen worden afgenomen. En als het niet plots gebeurt, dan is het soms nog erger. Dan wordt ons een lange, mensonterende lijdensweg voor de voeten gegooid die elke mooie gedachte en elke intentie om in het goede van ons bestaan te geloven wegneemt.
Dieren horen hier meer thuis dan wij. Ons menselijk waardegevoel is veel te sterk, onze trots en onze eerbaarheid te groot. Een dier kent de gêne niet die wij kennen wanneer het zijn behoefte doet midden in de kudde. Als het sterft, voelt het geen schaamte. Voor ons is proper en verzorgd zijn een teken van respect voor onszelf en voor elkaar. Het maakt deel uit van menswaardig zijn.
Het zou nooit zo ver mogen komen dat wij op oudere leeftijd met pampers moeten rondlopen. Als de natuur een beetje menselijkheid zou tonen, of welke macht dan ook die invloed heeft op onze menswaardigheid wat respect voor ons zou geven, dan zouden we met een knip mogen sterven. Maar weinigen hebben dat geluk. De meesten sterven na een vreselijke doodsstrijd en zijn al in de ontbindingsfase terwijl ze nog leven, uitgehold tot op het bot.
Zelfs euthanasie is een harde en mensonwaardige oplossing. Het is uiteraard goed dat het bestaat, want zo kun je iets van de pijn en het lijden verkorten. Maar als je eerlijk bent, hoe hard en pijnlijk moet het niet zijn om bewust afscheid te nemen van al je dierbaren? Het is een betere oplossing, maar zeker niet gemakkelijk om zelf te moeten beslissen dat je op die dag en op dat uur kiest voor de dood omdat je ondraaglijk lijdt. De verlossing zou plots moeten komen, zonder afscheid dat verdrinkt in een vat van verdriet en emoties.
Ik stel me dikwijls de vraag of onze soort geen vergissing is. Een rare speling van de natuur. Of misschien zijn we wel een of ander experimenteel proces van een meer ontwikkelde, aangepaste soort ergens in de kosmos. We zijn in elk geval niet aangepast aan de hardheid van dit bestaan. In het beste geval doen we alsof en houden we ons vast aan de fatalistische gedachte dat het is wat het is. Dat we het alleen kunnen aanvaarden en er het beste van moeten maken voor de tijd die ons gegeven is.
Maar mensen zoals ik, die leven met meer diepgang en zich sterker verbonden voelen met het menselijk welzijn, kunnen hun gevoelens over al dat onnodige lijden niet zomaar laten passeren. Ik stel me niet direct de vraag waarom we leven of wat de zin ervan is. Ik stel me eerst de vraag of wij hier wel thuishoren met ons geweten, onze zachte huid en onze hechtheidsdrang in een wereld die zo hard, onrechtvaardig en niets menselijks ontziet. Zijn we misschien een wansmakelijke grap, als clowns neergezet in een opgezet circus voor de goden?
Wij mensen zoeken houvast en zoeken controle. We kunnen achter en voor ons kijken, plannen en uitkijken naar dingen, en net die vermogens komen in dit leven voortdurend in conflict met de realiteit. We moeten ons tevreden stellen met de dingen die ons tegelijk het meeste pijn kunnen doen. De dingen die ons verwarmen en onze menselijkheid het diepst raken. Die momenten maken het leven een beetje oké. Die karige, maar waardevolle momenten moeten we koesteren, want ze helpen ons de zinloosheid die bij veel mensen wel eens opduikt beter te verdragen.
Het leven biedt zeker kansen om je gelukkig te voelen, maar altijd met het noodlot en de dood in het vooruitzicht. Of met Magere Hein die als een schaduw boven ons hangt en in onze nek ademt. Al die dingen zorgen ervoor dat je het geluksgevoel nooit, of toch zelden, volledig bevrijd kunt beleven. Dat het leven eindig is, wil niet zeggen dat het niet waard is om geleefd te worden. De dood is het gevolg, maar het lijden kan nooit door geloof worden goedgepraat of door een filosofische gedachte worden gerelativeerd.
Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat we het verwelken niet moeten verbloemen, ook al is het een deel van onze betekenis. Maar we gaan zelden zacht die verwelkingsfase in, zoals een vallend herfstblad dat zijn tijd ten volle heeft kunnen beleven aan de tak van een boom. Een blad dat daarna langzaam loslaat en zachtjes neer dwarrelt om verder te verteren op het bospad.
Ik denk dat veel mensen er meer aan hebben om het beklemmende gevoel van onfairheid dat ze allemaal ervaren te kunnen delen, in plaats van zich te moeten troosten met een opgedrongen dankbaarheid uit schuldgevoel en respect voor wat goed is geweest en voor wie ons naar beste kunnen op de wereld heeft gezet. Misschien is het beter om met een open blik naar het leven en naar de dood te kijken en de onrust die dat teweegbrengt te delen, in plaats van de donkere zijde te verbloemen uit schuldgevoel. Te mogen zeggen dat het soms gewoon klote is om hier vast te zitten en niet te kunnen ontsnappen aan de gruwel die ons pad kruist. Een pad waar we niet zelf voor gekozen hebben en dat onvermijdelijk eindigt met pijn en verdriet. Een pad dat we uiteindelijk enkel mogen aanvaarden in dankbaarheid, als een godsgeschenk.
Ieder mens heeft toch het recht om zonder vooroordelen zijn gevoelens uit te spreken als hij dat wil? Een mens is er niet alleen om te slikken wat hem wordt opgedrongen, maar moet ook mogen uitspuwen wat hij niet lekker of goed vindt. Dat hoort bij het verwerken van alle toxische gedachten die zijn welbevinden aantasten.
Maar we zijn in elk geval een bijzondere soort, met een uniek organisme dat in staat is veel te herstellen en zich aan te passen aan vele veranderingen. We zijn creatief, inventief en moedig, maar tegelijk ook heel gevoelig. Wij mensen mogen oprecht zeggen dat we veel kunnen bereiken en mooie dingen kunnen verwezenlijken. Er is veel mogelijk als je wat geluk hebt. Maar het zou, denk ik, beter zijn om het zijn en het worden ingetogen en nederig te beleven, en dankbaar te zijn wanneer je van veel ellende gespaard blijft.
Zelfs in mijn beste tijd als atleet, toen ik met mijn lichaam kon doen wat ik maar wilde, was ik me er tijdens trainingen en wedstrijden altijd van bewust dat er niet ver van waar ik liep, mensen lagen te lijden in een ziekenbed. Terwijl ik genoot van de blakende zon of een verfrissende regenbui, waren er mensen die maar al te graag nog eens de typische buitenlucht van de seizoenen zouden willen voelen. De ervaring van het zijn, worden en verworden in de ruimte tussen leven en dood.
Misschien is dat de enige plek waar we elkaar echt kunnen ontmoeten: in dat fragiele middenstuk.
Precies daar waar we niet onoverwinnelijk hoeven te zijn, waar we mogen wankelen, waar we mogen voelen wat er te voelen valt.